Miserere in Tilburg

Een kwartier voor aanvang waren we in de kerk, toch zat ie al stampvol. Geen enkel plekje bood meer goed zicht op het spreekgestoelte, of eigenlijk, het podium. In de zijbeuk, achter een paar dikke pilaren konden we nog terecht. Mijn oude vader en moeder vonden nog twee zitplaatsen vooraan, in een hoekje. Ook al mocht Herman Finkers met de vrouwen van Wishful Singing optreden, dit was de kerk van mijn vader, de grote St Josef Kerk op de Heuvel in Tilburg. Zijn ouderlijk huis lag op het Piusplein, zijn ouders dreven tot begin jaren 70 Café de Looiersbeurs recht tegenover de kerk. Als jongen zong hij hier in het koor. Hij wees me op de deur naast de ingang, die omhoog leidde naar het balkon, vanwaar het jongenskoor de hele kerk overzag. Hij had het prachtig gevonden toen, ‘de mensen in de kerk mochten niets doen, wij wel’. De kruisgang aan de wanden kon hij dromen, zo vaak was hij er langs gelopen.

Ik vind een plekje schuin achter hen. Nauwelijks zit ik, of ik krijg het verwijt van mijn buurman, die opstond om mij te laten passeren, dat ik te laat kom, en ‘dat het nu niet zo moet zijn dat mijn vriendin niets meer kan zien’. Ik ben verbouwereerd. Even tevoren wilde hij niet inschikken omdat hij zijn zicht op het altaar intact wilde houden, waarbij hij me uitnodigde om de lege plek naast hem te benutten, en nu verwijt hij me dat ik hem verdring? Achter hem hoor ik ook gemompel van dames in plat Tilburgs dat ‘de brutalen de halve wereld hebben’. Plots overvalt me een gevoel  van diepe eenzaamheid en verdriet. Deze zondagmiddag was bedoeld om samen te komen, mijn zus en haar man uit Breda, ik uit Amsterdam en mijn ouders uit een dorp bij Tilburg. Samen komen in verstilling, samen komen gewoon om elkaar te zien en vast te houden, in het besef van geleden en komend verlies. Dit is geen fijn begin van het concert, en ik moet even alle zeilen bijzetten om het nare gevoel niet de overhand te laten krijgen. Ik sluit mijn ogen en adem een paar minuten lang rustig en diep. Het geroezemoes in de kerk wijkt, in mij rijst stilte. Het gewoel zakt, en ik vermoed dat de man naast me erg naar het concert heeft uitgekeken. Daar houdt mijn erbarmen op.

Het is koud in de kerk, al is het al half april, en heb ik een dikke jas aan. Maar goed dat we af en toe op staan, al was het een echte mis. Het gregoriaans gezang verstilt; meezingen en meehummen geeft warmte. De zangeressen van Wishful Singing komen in het rood op, stellen zich al zingend steeds elders in de kerk op zodat iedereen de kans krijgt hen te zien. Veel eeuwenoude kerkteksten komen langs, toch wordt ik pas echt opgetild wanneer de dames zich wagen aan Ubi Caritas, een stuk uit 1978. De meerstemmigheid is verbluffend, en ik wordt als vanzelf naar het puntje van de kerkbank geduwd.

In de trein terug naar huis lees ik in ‘Vertroostingen’ van Dirk de Wachter, Vlaams psychiater. Hij schrijft over zijn ziekteproces en waar hij troost uit haalde. De ellendigheid van zijn ervaring benoemt hij vaak als misère, een woord dat we in Nederland niet veel gebruiken. Het brengt me terug naar de gregoriaanse gezangen van daareven, daar viel ook geregeld het woord misère, maar dan als miserere nobis, ‘ontferm u over ons’ of ‘wees ons genadig’. Zouden misère en miserere van hetzelfde woord afstammen? Waarbij het ene naar ellende verwijst, en het andere naar erbarmen en genade? Als dat zo is dan zijn ellende en erbarmen twee zijden van dezelfde medaille. Ik zoek op internet naar de etymologie van beide woorden en vind geen eenduidig antwoord, anders dan een oneindige reeks synoniemen voor misère: armoe, ellende, kommer, kwel, narigheid, nood, ongeluk, schamelheid, sores, tegenslag, treurigheid, rampspoed, Zoals Eskimo’s talloze woorden voor varianten van sneeuw en ijs hebben, zo hebben wij dat blijkbaar voor ellende. Voor genade lijken we minder gevoel te hebben.

Toch vermoed ik een verband. Is het niet zo dat om erbarmen te kunnen tonen, mee te kunnen leven, en je te kunnen ontfermen over iemand, je zelf ook de ellende moet kennen waarvoor je genadig bent? Of tenminste een vermoeden moet hebben? Is dat niet de bron van empathie? Van het Grote Hart? Het Heilig Hart? Dan is het omgekeerd ook zo dat als je ellende hebt meegemaakt, daar een vermogen tot medeleven uit voortvloeit. Alleen daarom al is het wegpoetsen van al wat lelijk is, onzinnig. Zonder ziekte geen gezondheid. Zonder dood geen leven. Zonder ellende geen medeleven.

Wat meteen tot een paradox leidt. Want het kan niet zo zijn dat we ellende actief moeten creëren of zelfs aanbidden om leven te voelen. Dat is absurd; ik kan niet blij zijn om de dood van Pepijn. Het is meer dat in ons streven naar het Goede, Schone en Ware we voeling blijven houden met de onmaakbaarheid ervan. Alle streven is in die zin zinloos, en toch moet het gedaan worden.

Het laat me niet los. Een paar dagen later stuit ik op een tekst van Genootschap Onze Taal. De wortel van beide woorden is het Latijnse miser, ‘ongelukkig, arm’. In de kern is medeleven verbonden aan tegenspoed. Het is de grond van empathie, zo lijkt het. Ik begin te snappen waarom de katholieke mis begint met het Kyrie Eleison: de Griekse versie van ’ontferm u over ons’. Die behoefte om gezien te worden, om opgenomen te worden, is eigenlijk een impliciete oproep om anderen te zien. Als dat de kern van het Christendom is, dan is het goed.

Heuvelse kerk, 1993
https://nl.wikipedia.org/wiki/Heuvelse_kerk

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *