Kweekbak

Ik kan ze wel de grond uit kíjken. Ik heb goudsbloemzaadjes en pompoenpitten gezaaid. Ik kreeg ze van Brei, een van de bewoners van De Groene Velden. Mooi om uit te planten op de plek waar Pepijn stierf. Ik zie het wel voor me: een bed van gele goudsbloem in de zomer, en mooie oranje pompoenen aan de rand in het najaar.

Maar waarin kweek ik ze nu op? Ik heb geen kas, en in mijn schuurtje zag ik ook geen oude bloembakken. Toen viel mijn oog op de BBQ,  de BBQ die Pepijn had meegenomen op zijn laatste avond, met de gedachte om warm te blijven. Er hebben briketten op gebrand. Brandende briketten die hem  fataal werden vanwege de CO2. Ik voelde aarzeling. Was het niet te macaber? Het idee dat ook dat wat tot de dood leidde, leven kan voortbrengen hielp me over de streep. Ik vulde de twee helften van de BBQ met tuinaarde, en zaaide. Gaf water. Plaatste de BBQ achter het glas in mijn huiskamer. En ja hoor, daar ontkiemt het ene na het andere plantje. Het geeft me zo’n voldoening. Jong nieuw leven. Als baby’tjes vertroetel ik ze.

Na een paar weken mochten ze de volle grond in. Op Hemelvaartsdag was het zo ver. Op de gedenkplek van Pepijn had ik alvast een flink stuk grond ontdaan van het inmiddels hoog opgeschoten gras. Pompoenen langs het bos, de goudsbloem tussen de tulpen. De kiemplantjes ogen er nog ielig. Zouden ze het redden in de grote wijde wereld? Fijn om me daar druk over te maken.

De zorg van een ouder lijkt verdacht veel op de zorg van een tuinier. Toch…. Ik heb veel pompoenkinderen. Van Pepijn had ik er maar één.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *