Toespraak Titia 27 feb 2022, Machinegebouw, De Groene Velden
Lieve mensen,
Fijn dat we hier vandaag samen zijn om Pepijn z’n verjaardag te vieren. Sommigen hier kennen Pepijn heel goed, anderen misschien nauwelijks.
Maar jullie zijn allemaal bereid geweest je te laten raken door de dood van Pepijn. Mensen van dichtbij en van ver waren betrokken en lieten dit op allerlei manieren merken.
Voor mij is dit een dag van dankbaarheid. Dankbaar ben ik voor de steun die we hebben ontvangen in de vorm van bloemen, cadeaus, kaarten, warme woorden, heerlijke maaltijden… het was voelbaar dat deze vormen van steun en medeleven recht uit het hart kwamen. Iedereen kwam opeens dichtbij, terwijl ik normaal vaak afstand voel, en opga in mijn kleine persoonlijke wereldje.

Mijn vertrouwen in mensen is in het afgelopen jaar gegroeid. Als het er écht op aan komt zijn mensen zo volop bereid elkaar te helpen, er voor elkaar te zijn. Dat is onze diepste natuur. Dat heb ik gevoeld dit jaar. Op vele momenten hebben jullie me positief verrast.
Vanuit soms heel onverwachte hoeken kwam er medeleven naar ons toe.
De Dalai Lama zei een keer in een interview dat hij geen gemakkelijk leven heeft gehad. Hij leeft in ballingschap, hij ziet en hoort hoe zijn landgenoten worden bedreigd en gemarteld. Hij heeft veel heftige dingen mee moeten maken, maar voelt zich toch een gelukkig mens. “Want ik zie geen vreemden als ik mensen ontmoet”, zei hij. Dat is de kern van zijn geluk.
“Ik zie geen vreemden als ik mensen ontmoet.”
Dat raakte me. Hij heeft genoeg reden om mensen te haten, maar kennelijk doet hij dat niet. Compassie is zijn weg.
De omstandigheden bepalen niet je geluk, is wat hij hiermee ook zegt. De manier waarop je je ermee weet te verbinden, de manier waarop je betekenis kunt geven aan alles wat je meemaakt, dat bepaalt je geluk. Je hart open houden en mensen zien als gelijken, als broeders, dát is waar het boeddhisme over gaat. Compassie. Ik ben geen boeddhist, maar voel me hierdoor geraakt en geïnspireerd. Ik bepaal of ik teleurgesteld en verbitterd raak door wat ik meemaak, of juist raakbaar en geëngageerd.
Ik kies voor dat laatste. Ik wil alles voelen en me steeds meer mens onder de mensen voelen. We zijn allemaal zoveel meer hetzelfde dan we soms denken. Die afstand die ik vaak ervaar is een illusie. Ik hoop dat ik steeds meer kan toelaten dat er geen vreemden bestaan. Er bestaan alleen maar mensen, die ieder op hun heel eigen unieke wijze hun stinkende best doen om er het beste van te maken.
Leonard Cohen zingt in een lied: “There’s a crack in everything, that’s where the light comes in.”
Er is een gat geslagen in mijn moederhart. En daar komt het licht nu naar binnen.
Iedere dag praat ik nog met Pepijn en voel ik mijn liefde voor hem. Misschien is dat nu ook makkelijker, omdat hij nooit meer de boel vies maakt en zijn kleren laat rondslingeren en overal zijn bordjes en kopjes laat staan.
Ik voel wie hij in essentie is: Een vrolijke, verlegen en lieve jongen die een hekel had aan saaiheid. Hij wist ons vaak te verrassen met zijn gekke ingevingen en impulsiviteit.
Wat een levendige geest heb jij, Pepijn.
Een goeie schoolvriend, Rembrandt, zei vlak na jouw dood: “Van alle mensen die ik ken past de dood het minst bij Pepijn.” Daar ben ik het mee eens. Pepijn heeft veel lichtheid en vrolijkheid in mijn leven gebracht. Ik voel me daar dankbaar voor. Geen dag, geen uur, geen seconde had ik willen missen. Al doet het missen nu veel pijn.
Ik ben trots dat ik jouw moeder ben, Pepijn. Je bent een prachtige jonge vent. En ik had dolgraag nog vele jaren van je willen genieten en met je willen stoeien en bekvechten en knuffelen en groeien en leren van elkaar. Ik had willen genieten van je speelsheid, je creativiteit, je pianospel, je theatrale gekkigheid.
Het mocht niet zo zijn.
Maar ik ben minstens net zo trots op jou, Boris. Jij bent mijn oudste zoon. Je bent recht door zee, iemand waar je op kunt bouwen, intelligent en scherp. En je hebt leuke humor.
Nu er opeens allemaal foto’s van Pepijn en van jou in huis hangen, zei jij een keer grappend: “Je moet doodgaan om hier in huis aan de muur te mogen hangen.”
Tja. Soms zien we pas wat we hebben als we het kwijt zijn. Open me de ogen, Boris, als ik jou niet goed zie. Want ik wil je zien, horen, nu en zo vaak mogelijk. Ik wil dat we van elkaar genieten en van elkaar leren. Zolang we hier zijn.

Ik ben trots op hoe je na Pepijn z’n dood je vrienden hebt toegelaten. Jullie waren bijna dag en nacht samen. Je hebt vriendschappen weten op te bouwen die dit kunnen dragen. Dat zegt iets over jou. Je hebt je niet teruggetrokken uit het leven. Je bent er vol in gaan staan. Je praat regelmatig over Pepijn. Daarin voel ik je liefde voor hem. Als grote broer was je trouw en loyaal. Je kleine broer mocht heel vaak mee voetballen en mee naar jouw vrienden. Jullie waren een prachtig team samen. Heel verschillend en heel complementair. Het spijt me meer dan ik kan zeggen, dat je je broer moet missen, Boris. Maar ik ben heel blij dat jij er bent!

En Gaston, ik ben blij dat wij samen deze twee prachtige zoons hebben gekregen. Ik ben blij dat we verbondenheid voelen, ook al is onze relatie veranderd. Ik ben blij dat we elkaars verdriet kunnen zien en voelen en dat we daarin elkaar begrijpen.
Ik ben blij met de steun en liefde die ik van jou heb gevoeld het afgelopen jaar, Erik. Geen gemakkelijk jaar en we zijn nog maar drie jaar samen maar je was en bent er met heel je hart.
Ook mijn vriendin Lorence wil ik zeker niet overslaan. Je hebt zoveel voor ons betekend dit afgelopen jaar. Dank je wel voor je vriendschap en je niet aflatende steun.
Er zijn hier ook een aantal vrienden van Pepijn, wat ik heel fijn vind.
Memento mori is een Latijnse uitspraak: gedenk te sterven. We vinden de dood een beetje eng. Ik nu veel minder. Pepijn is me al voorgegaan en ergens voel ik dat de dood, net als het leven, een groot mysterie is. Als we dit mysterie, dit niet-weten, kunnen omarmen, is er niets om bang voor te zijn. Ik ga ook – als het mijn tijd is.
Maar tot die tijd wil ik me richten op dingen die het leven waardevol maken. De angst voor de dood is eigenlijk de angst om de controle te verliezen en het grote niet-weten, het mysterie, toe te laten. Maar waarom bang zijn iets te verliezen wat we nooit hebben gehad?
Eén dag voordat Pepijn overleed had ik met mijn schoonzusje Kim een heel gesprek over de dood.
Twee dagen voordat Pepijn overleed had ik het met een collega over begrafenissen. Toeval? Of werd me al iets ingefluisterd?
Aan mijn collega vertelde ik dat ik begrafenissen fijn vind, omdat mensen daar échter zijn. Bij het zien van de dood vallen de maskers weg. De schone schijn lost op. Ik liet mijn collega een liedje van Harry Jekkers horen, “Nu ik nog leef” – een hele mooie interpretatie van “Gedenk te sterven.”
Ik citeer uit zijn lied:
Op mijn grafsteen geen “Innig bemind.” Noem me lief nu ik nog leef Noem me lief nu ik nog leef Nu ik nog leef, laat nu de glazen zingen Tot ze barsten in duizend scherven van geluk Nu ik nog leef, laat nu de liefde zingen Want nu ik nog leef wil ik sterven van geluk
Op het leven, het avontuur, het niet-weten. En op jou, Pepijn. Op de levendigheid die je hebt gebracht, op de levendigheid die wij samen nog mogen beleven, en op de liefde die we mogen delen en die alles verzacht.











Nu, een paar dagen nadat ik deze post voor het eerst las, zijn de woorden van Titia nog steeds bij me, over het vertrouwen in mensen. Het resoneerde bij me, ook omdat ik dit zelf deze dagen zo ervaar in ons buurtje waar veel mensen meehielpen om een appartement voor Oekraïense vluchtelingen in te richten.
En elke keer treft het me hoe zorgvuldig jullie mijlpalen vormgeven in het eren van Pepijns nagedachtenis, samen met ieder die deze momenten wil meevieren. Want jullie vieren steeds zijn leven en betrekken daar de mensen bij die in zijn en jullie leven van betekenis waren/zijn.