Ze hebben het lang volgehouden, de 2 rode, hartvormige waxinelichtjes op een batterijtje. Een klein plastic vlammetje stak gelig af tegen de donkere nacht. Ze stonden op Pepijns sterfdag zomaar voor de deur. Ik heb ze op de houten fietsnietjes geplaatst. Telkens als ik aan kwam rijden zag ik ze branden. Onafgebroken bleven ze dat doen, bijna tot aan Pepijns verjaardag, op een paar dagen na 6 weken lang.
Elke keer als ik de kaarsjes zag wist ik me gezien.
Ik weet niet door wie. Iemand uit de buurt vast. Het gebaar is licht en haast onzichtbaar, en toch zo verbindend.
Jij bent ook gezien, iemand. Ik buig in gedachten voor je.
