Het zal rond half tien geweest zijn als ik een stuk heide in wandel op landgoed Twickel. Hier en daar een dennenboom. Vochtige zandgrond. De geur komt me bekend voor. De zon schijnt, kort ervoor passeerde nog een hagelbuitje. Frisse witte wolken tegen een blauwe achtergrond. Rust daalt in me neer. Het voelt als thuiskomen. Het doet me denken aan de struintochten die ik vroeger hield, met boezemvriend Koen. Ik herinner me specifiek die keer dat we in alle vroegte naar de Kampina heide waren gegaan, rond 7 uur. De zon was nog niet zo lang op. Het was spannend, twee jochies van 15-16 jaar. Fiets gedropt in de berm. Sluipend tussen het struikgewas. Op zoek naar sporen. We zagen een enkel wegspurtend hert. We vonden een pukkel, zo een die soldaten gebruiken. Ik nam hem mee als trofee, als herinnering aan het onverwachte dat je ten deel kan vallen. Die ochtend had iets magisch. Het leven was goed en heel, en beloofde veel.
Ik weet plots zeker dat Pepijn op zoek was naar een dergelijk gevoel. Verbinding. Heelheid. Thuiskomen. De spanning van iets onbekends, iets verbodens. De bliss van eenwording met het bestaan. Hij had het al een keer ervaren, de week voor zijn dood. Nu had hij alles in gereedheid gebracht om het óók niet meer koud te hebben, in zijn ransel zat daarom een BBQ. Het doet me deugd te beseffen dat hij het gevoel gekend heeft, het gevoel dat alles samenvalt, en de wereld een magische plek vol wonderlijke en onvermoede mogelijkheden. Al is het dan via drugs.
Ik weet nu ook waarom ik wandel. Omdat ik wil samenvallen met het bestaan. Me verzoend wil voelen. De breuk wil helen.
De pukkel heb ik nog steeds. Hoewel… het is misschien niet dezelfde. Het geeft niet. Ik doe graag alsof het hem wel is. Het brengt me die wonderlijke dagen in herinnering. Ieder zo zijn eigen drugs.
