Een dag als deze

Het was een ochtend als deze, een zaterdag, en een beetje druilerig, een fractie kouder misschien. Ik kwam net bij mijn vriendin vandaan, Ik zou sporen zien van aarde, modder, achtergelaten door schoenen in de keuken en op de trap. Ik zou me verwonderen en wat mopperen op Pepijn, of Boris, die dit ongetwijfeld hadden veroorzaakt. Ik zou niet bij Pepijn gaan kijken, hij sliep meestal tot laat in de ochtend. Ik zou weggaan om te wandelen in de bossen van Lage Vuursche. De hond zou meegaan; ik herinner me nog goed dat hij als een wilde rondjes rende op het grote open grasveld in het midden van de parkeerplaats in De Kuil. Hij voelde de ongehinderde ruimte, die hem vrijheid gaf als vrijwel blinde. Ik zou koffie drinken met mijn lief aldaar. Ik zou terugrijden en iets voelen knagen, ik zou niet weten wat. Alsof de dag te lang duurde om aan te vangen. Ik zou thuis komen, en nog steeds de modder zien. Ik zou Titia bellen en vragen of zij hem gezien had. Zij zou ontkennend antwoorden. Ik zou naar zijn kamer zijn gegaan om hem niet aan te treffen. Ik zou ontdekken dat het BBQ-tje ontbrak in mijn kleine schuur. Ik zou naar het viaduct fietsen, zoeken bij het talud aan de A10, met echo’s van eerdere gesprekken met Pepijn over de BBQ in mijn achterhoofd. Ik zou het BBQ-tje er niet vinden, maar wel zijn fiets, tegen een  boom, een beetje van de weg af. Ik zou langs de fiets de bosstrook in lopen en gaan spoorzoeken. Ik zou de beginnende sneeuw onder mijn voeten voelen kraken, ik zou het wat koud hebben. Ik zou een heel eind lopen voor mijn gevoel, tot plekken waar niemand ooit was geweest, langs de waterzuivering. Ik zou een onderkomen van een dakloze ontdekken, ik zou er een beetje bang voor zijn, ik zou het toch binnen gaan, en een verlaten en ingestort verblijf aantreffen, een natte kapotte slaapzak, half ingegraven in de aarde. Ik zou terugkeren, ik zou Titia bellen. Titia zou de politie bellen. We zouden samen naar het politiebureau gaan. Boris zou thuisblijven voor het geval Pepijn zou komen aanwaaien, ijsberend door zijn kamer. We zouden fietsen terwijl de sneeuw over onze mutsen dwarrelde. We zouden bespreken met de politie wat te doen. We zouden een oproep plaatsen in de buurt-app, om mee te helpen zoeken naar Pepijn. We zouden als oriëntatie de vindplaats van zijn fiets meegeven. Het zou dan 18:01 h zijn. Buurtbewoners zouden in grote getale uit hun warme huizen komen en beginnen met zoeken. Pepijn zou driekwartier later worden gevonden, in een tentje, 300 meter verder dan tot waar ik gekomen was. Het zou het begin zijn van een onmogelijke week, een onmogelijk jaar. Het zou het begin zijn van veel verdriet, pijn, liefde, eenzaamheid en samenzijn. En toch, op de één of andere manier ook van opveren. Het zou het jaar van Pepijn zijn, het jaar dat hij als 14-jarige begon en nooit zou afmaken.

Een dag als deze – ik zou hem niet opnieuw mee willen maken. En precies op deze dag, plaatst Esther van der Most 10.000 schoenen op de Dam, één voor elk kind dat is omgekomen in de strijd tussen Israël en Hamas. Waaronder haar eigen nichtje.

Kinderen horen niet te sterven vanwege de rommel die volwassenen er van maken.

De fiets van Pepijn

4 gedachten over “Een dag als deze

  • 13 januari 2024 om 15:12
    Permalink

    Je stukje beneemt me de adem. Ik voel de kou van die dag, zoek met je mee, beeld me de paniek in. En het raakt me steeds weer hoe Pepijns leven en dood blijft raken – ook door hoe je die nu verbindt met de gestorven kinderen in Gaza.

    Beantwoorden
  • 5 februari 2024 om 12:21
    Permalink

    Hoi Gaston,

    Ik hoop dat de stille tocht mooi is geweest, lees er nu pas over anders was ik wel meegelopen denk ik. De pijn van het verlies van onze kinderen wordt er niet minder op en de winter is intens. Mooi dat je via dit blog je zoon levend houdt en je gedachtes deelt, erg troostend.
    Liefs Eline

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *