Landschapsonderhoud

Eigenlijk wilde ik alleen maar kijken deze ochtend. Kijken zonder te kijken. De omgeving in me opnemen zonder haar te verslinden. De weg gaat steil omhoog, een bosbouwpad tot aan de kam, en langzaam, stap voor stap, kom ik boven. De route voert van Bévercé naar de stuwdam van Robertville, in de Belgische Ardennen. Rustend kijken is er echter nauwelijks bij, ik blijk tegendraads te lopen, de bewegwijzering gaat tegen mij in, hoewel mijn wandelgids iets anders beloofde. Geërgerd trap ik een dennenappel weg. Ik kijk steeds even achterom of ik van uit tegenovergestelde richting het goede bordje zie. Intussen volg ik een ander bordje, van Decathlon extratrail, dat mijn weg lijkt te volgen. Samen met gps en een kaartje op hoofdlijnen lukt het uiteindelijk prima. Na een paar kilometer verandert het brede pad in een bergpaadje, smal en aantrekkelijk. Rechts licht glooiend weiland, groen, bovenaan alleen lucht. Links van mij bos, mijn paadje ín de laatste meter van de bosrand.

De hele ochtend zit een melodietje in mijn hoofd, ik herinner me alleen nog enkele strofen en de melodie. Het is een liedje dat me raakt, maar waarin weet ik niet precies. Ik weet de titel niet eens, alleen de artiest. Ik zoek het op via spotify, en zo komt het dat ik op de cadans van het nummer ‘Tot slot’ van Jeroen Zeilstra tussen de zonnestralen loop die parelen door de bosrand. Het nummer gaat over eenzaamheid en het onvermogen van sommigen om uit te reiken als ze het moeilijk hebben: ‘Hoe vreemd kan het gaan / de ene die valt / en de ander blijft staan / wat scheelt er aan liefste / vertel, vertel, vertel’. Even voelt het eigenaardig om op deze stille bergkam muziek te draaien terwijl ik loop, geluid uit de speaker van mijn iPhone in mijn hand, het geluid dat aanzwelt en afzwakt met mijn bewegende arm. Toch heb ik het gevoel dat ik meer nodig heb dan het gesprek met de bomen. Het trage ritme van het lied past wonderwel bij mijn gang. Af en toe voegt een vogel een noot toe

Ik draai het nog een keer, daarna loop ik een tijd zwijgend verder. Bij een picknick tafel houdt ik halt, een pauze na anderhalf uur wandelen. Om mij heen een slagveld aan stobben, hele bergwanden zijn gekapt, de stammen van de fijnspar liggen met honderden opgetast langs de bospaden. Ik snuif de geur van het verse hout op. Het oogt als verkracht landschap, het doet zeer, en toch, en toch, prent ik mezelf in, als ik papier of karton gebruik, of huizen bouw met een lage ecologische footprint, dan moeten er bomen gekapt worden. Er is een vooruit geschoven plek, een punt op de rots, waarvandaan het hele dal te overzien is. Zo’n plek die je naar zich toezuigt. Ik draai ‘Tot slot’ nog een keer, weer spelen de klanken door de lucht. Er is niemand. Ik zie Pepijn zitten op de rotspunt, en denk aan die andere keren dat hij daar zat. Op een berg in de Italiaanse Alpen, op een berg op Elba, op het eiland Moni in Griekenland. Altijd met zijn broer. De muziek doet zijn werk, en ik voel mijn ogen vochtig worden. Verdriet wringt zich een weg naar buiten en dan sta ik daar te grienen als een klein kind, als een vader die zijn zoon mist. Het duurt een minuut, twee wellicht. Ik weet eigenlijk niet hoe lang. Ik droog mijn tranen niet, ben blij dat ze zich even laten zien. Ik trap een dennenappel weg, maar het venijn van vanochtend lijkt nu meer op aaien. Ik kijk met andere ogen naar de bossen. Ik ben hier. Hij is hier. Het pad, de bomen, het weer, mijn wandelen, alles is het zelfde, en toch is alles anders. Ik ben ok.

De dam breekt niet vaak de laatste tijd. De aanzet is onverwachts. Uiteindelijk is er maar heel weinig voor nodig, maar het laatste stokje moet wel op het juiste moment op de juiste plaats uit de dam getrokken te worden. Er ontstaat een stroompje, en het water vindt zijn weg weer. Tranen vinden hun weg weer. Is het muziek die troost brengt? Het voelt niet als troost, eerder als acceptatie. Misschien is troost au fond precies dit, acceptatie. Dat het is zoals het is, en dat het leven gewoon verder pulseert.

Ik denk na over de dam en het stuwmeer aan tranen dat er achter ligt. Hoe wordt het gevuld? Waar komen die tranen vandaan? Kan het stuwmeer ooit leeg raken, kan het verdriet ooit opraken? Wat houden we dan over? Een uitgedroogde oever? Ik kan het me niet voorstellen.

Ik volg de tranen naar de zee. Ze komen er samen met de tranen van andere stroompjes, van andere rivieren, van andere mensen. Eindeloos veel tranen. Zo bezien is de zee een waarachtig tranendal.  De zee is onderdeel van een kringloop; water verdampt, wind stuwt vochtige lucht richting land, slaat als regen neer tegen de bergen, en beweegt zich ten langen leste weer naar de zee. Bestaat er zoiets als de wet van behoud van verdriet? Een eeuwige kringloop waardoor het nooit ophoudt? Het klinkt als het wiel van het eeuwige lijden, het boeddhistische samsara, maar het voelt niet als iets waar ik aan zou willen ontsnappen. Het is eerder zo dat ik graag ervaar dat er af en toe een houtje uit de dam wordt gehaald, en de stroom gevoed wordt. Ik beeld me in dat al die kleine stroompjes een dooraderd, waterrijk landschap opleveren, net zoals heggen, hagen en houtwallen een landschap een zachtaardig uiterlijk geven, goed voor vogels en ander leven, en om een landbouw vragen die zich daarin kan voegen.

De tranen zelf zijn niet het lijden.

Het zijn de dammen die te stevig zijn, te solide. Ongenaakbaar.

Teveel verwachtingen, angst en schone schijn opgetast achter de hoge muur. Er moet af en toe een gat in de dam geslagen worden. Een stok uit het wiel gehaald. Ingenieurs ontwerpen altijd een overloop voor het geval de druk te groot wordt. Wij stervelingen moet actief onze dammen poreus maken. We moeten bevers zijn, maar niet al te goede bevers.

Af en toe moet er een tak uit de dam gestoten worden. Wat en hoe dat gebeurt is onvoorspelbaar. Er is niet één ding dat troost biedt, het is een samenspel. Het zijn landschappen, het is de stilte, het zijn mensen, het is de aandachtige aanwezigheid van een ander, het is een aai over mijn bol, het is muziek, het is kunst, het is het geluk en de blijdschap van anderen, het is literatuur en poëzie, het zijn essays over de aard van het leven, het is beweging, het is het lijf dat krachtig wordt, het zijn foto’s van vroeger, van hem, het is het verdriet in de ogen van zijn moeder, van zijn broer, het is kijken zonder te kijken, wat het ook is, het helpt allemaal mee.

Het is schrijven, het is dít schrijven.

De stuwdam van Robertville ligt er imposant bij. De overloop is niet actief. Onder in de dam is wel een doorlaat die de beek blijft voeden. Blijven janken, dat is goed voor het landschap.

Dam te Robertville
Valle d’Aosta, juli 2018
Valle d’Aosta, juli 2018

2 gedachten over “Landschapsonderhoud

  • 8 mei 2023 om 16:52
    Permalink

    Prachtige metaforen… je raakt me weer Gaston!

  • 9 mei 2023 om 10:19
    Permalink

    Prachtig Gaston. Fijn om weer te ontdekken waar je ergens bent.

Reacties zijn gesloten.